vrijdag 6 april 2012

Afghaanse 1F-zaken in het nieuws

Met enige regelmaat verschijnen in de media berichten over asielzoekers die geen verblijfsvergunning krijgen omdat ze artikel 1F tegengeworpen krijgen. Ze krijgen het stempel 'oorlogsmisdadiger'. Deze zaken zorgen vaak voor veel maatschappelijke beroering. Wat is artikel 1F precies en wat vindt VluchtelingenWerk van deze kwesties?

Oorlogsmisdadigers die naar Nederland komen en asiel aanvragen, hebben geen recht op bescherming. Dit is vastgelegd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Hun dossier gaat naar het Openbaar Ministerie, dat onderzoekt of vervolging mogelijk is.

Schuldig?

Het probleem in Afghaanse 1F-zaken is dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan elke (onder)officier die bij de Afghaanse veiligheidsdienst Khad/WAD heeft gewerkt (collectief) tegenwerpt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Dan is het aan de Afghaan om zijn onschuld te bewijzen. In het strafrecht geldt echter een omgekeerde bewijslast: iemand is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is.

De cijfers

Cijfers uit 2008 geven aan dat van de op dat moment aanhangige 700 1F zaken slechts vijf gevallen hebben geleid tot strafrechtelijke vervolging. Uiteindelijk zijn maar drie verdachten daadwerkelijk veroordeeld. Uit cijfers over 2010 blijkt dat van de bij het OM aanhangige 38 zaken er maar één onder de rechter is.

Wat vindt VluchtelingenWerk?

  • Artikel 1F Vluchtelingenverdrag moet individueel, in een zorgvuldige procedure en op basis van objectieve en betrouwbare informatie worden beoordeeld. Alleen dan mag je iemand uitsluiten van bescherming.
  • Asielzoekers die schuldig zijn aan ernstige misdaden in hun herkomstland mogen geen bescherming krijgen in Nederland. Berechting en terugkeer moeten dan voorop staan. VluchtelingenWerk sluit hen uit van dienstverlening en verwijst hen door naar een advocaat.
  • Veel vreemdelingen die op basis van artikel 1F worden uitgesloten van een verblijfsvergunning, kunnen niet terug naar hun land van herkomst, omdat zij daar gevaar lopen. Ze mogen dus niet blijven, maar kunnen ook niet terug. Deze situatie, waarin de vreemdeling illegaal in Nederland verblijft en nauwelijks rechten heeft, kan jaren duren. Nu heeft de minister bepaald dat na tien jaar de vreemdeling in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning. Hij moet dan aantonen dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt. Dit blijkt in de praktijk moeilijk, zo niet onmogelijk. VluchtelingenWerk vindt dat de minister duidelijk moet maken hoe dit beleid in de praktijk wordt toegepast, zodat de toepassing ervan verbeterd kan worden.