Column, 30 juli 2020

In Nederland ben ik wie ik altijd was | Column Hazem Darwiesh

Tijdens de Pride blikt columnist Hazem Darwiesh terug op zijn verborgen leven van voor zijn coming-out en zijn situatie nu. 'Eindelijk loop ik elke dag hand in hand met mijn geliefde door de stad. Ik hoor geen opmerkingen, ik zie alleen liefdevolle blikken van voorbijgangers. En dat blijft nog elke dag heel bijzonder en kostbaar.'
placeholder

Anders dan anderen

Ooit ontdekte ik dat ik anders was. Ik was nog klein en leefde in een samenleving in het Midden-Oosten die naar de wereld kijkt vanuit een beperkt zwart-wit perspectief. Door dat 'anders zijn' voelde ik mij erg eenzaam en besloot ik om me zo ver mogelijk van mijn omgeving af te bewegen. Ik smeekte om isolatie. Een isolatie die heel donker is en tegenwoordig "de kast" wordt genoemd.

Destijds zat ik vol met vragen over wat ik in mij had ontdekt, vragen die ik nooit hardop durfde te stellen. Door mijn opvoeding had ik geleerd dat mensen rein of onrein zijn. Wie afweek van de gangbare regels rond gedrag of identiteit, behoorde tot de tweede groep. En die verdient discipline, uitstoting of zelfs moord.

Om aan mijn angsten, zorgen en twijfels – die me als een schaduw achtervolgde – te ontsnappen, kroop ik elke dag dieper in mijn kast. Vooral nadat ik op een herfstdag in de Bijbel las over het volk van Sodom en Gomorra en hoe boos God op hen was. Maar het betekende tenminste wel dat God wist dat ik bestond.

Licht in de duisternis

Mijn geloof maakte het mij moeilijk om mijn identiteit te aanvaarden. Aan de andere kant was mijn geloof ook de hand die op mijn schouder lag terwijl ik de drukkende last van mijn geheim in stilte droeg en met mezelf in het reine probeerde te komen. Toch leefde ik van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met meerdere gezichten tussen de mensen om me heen die me lief waren. 

Ik herinner me nog goed hoe ik als verloren en verdrietige tiener voor de maagd Maria in het klooster van Aleppo stond. Ik stak een kaars aan en vertelde haar alles wat ik nooit met mijn moeder kon delen. Dat kon ik alleen aan de maagd die geen vooroordelen over mij had en die mij altijd verwelkomde. Zij was het licht die de duisternis in mijn kast verlichtte en mij beloofde dat ik mezelf ooit zou leiden naar een plaats waar ik mezelf zou kunnen zijn.

Toen mijn leven door de oorlog en de druk van mijn familie steeds moeilijker werd, pakte ik een klein tasje in en ontsnapte. Eerst uit Aleppo en later uit Istanbul. Ik hield van beide steden, maar zij helaas niet van mij. Na een gevaarlijke vlucht kwam ik eindelijk in Nederland aan. Hier verwachtte ik uit mijn angstige kast te kunnen komen. Maar na enkele weken ontdekte ik dat mijn vlucht nog niet was afgelopen. Veel Nederlanders wilden mij liever het land uit hebben. En mijn mede-vluchtelingen in het asielzoekerscentrum, waar ik meer dan anderhalf jaar woonde, zouden mij niet accepteren.

Landelijke coming out

Maanden later leerde ik fijne, Nederlandse vrienden kennen. Door hen durfde ik weer naar buiten te gaan en leerde ik langzaam maar zeker open over mijzelf te praten. "Kom op, in Nederland mag je zijn wie je bent," zeiden ze vaak tegen mij. Een naïeve zin wellicht, maar wel een die oprecht klonk en me naar voren duwde.

Uiteindelijk kwam ik met mijn verborgen en gevluchte identiteit uit de kast op de landelijke pagina's van het NRC. Mijn situatie in het asielzoekerscentrum verslechterde, maar ik besloot dat ik eindelijk in een vrij land leefde en alleen mijn pen had om mijzelf te redden. 

Later in mijn huis in Zwolle, net als in de hele stad, kon ik eindelijk zijn wie ik altijd ben geweest. Volledig vrij, veilig en zonder angsten. Nu loop ik elke dag trots en vol vreugde hand in hand met mijn geliefde door de Zwolse binnenstad. En ik hoor geen opmerkingen, ik zie alleen liefdevolle blikken van voorbijgangers. En dat blijft nog elke dag heel bijzonder en kostbaar.