Column Vamba Sherif

Comlums van Vamba Sherif. Vamba is schrijver, columnist en ambassadeur van VluchtelingenWerk Noord-Nederland. Op deze pagina heeft hij een vaste column, waarin hij over zijn leven vertelt.

Nigeria- Land van Gelovigen - column Vamba Sherif, februari 2016

Het echtpaar dat links van mij zat, was aan het bidden. Ik dacht dat dit bij het ochtendritueel hoorde, maar ik vergiste me. Ik bevond me op Heathrow in een vliegtuig met bestemming Lagos, Nigeria. Het gebed ging door, in de zachte, mompelende maar onophoudelijke stemmen van het echtpaar. De twee moesten in de vijftig zijn, dacht ik, maar later zou het blijken dat ze in de zeventig waren. De jaren waren hen gunstig gestemd geweest. Ze bleven bidden gedurende het eerste, tweede en derde uur van het afwachten totdat we toestemming konden krijgen om te gaan vliegen.

 

Het was de week na de aanslag in Parijs. ‘Je gaat naar een  land waar religie miljoenen levens bepaalt, waar pastors een soort iconen of heiligen zijn. Alles wat in het leven van een doorsnee Nigeriaan gebeurt, ik bedoel alles, wordt bepaald door zijn of haar pastor,’ zei mijn collega schrijver E. C. Osundu die naar zijn land van afkomst terugkeerde.

Het vliegtuig was vol. We gingen naar het jaarlijkse literaire Aké literaire festival in Abeokuta.  Het festival werd opgericht door de schrijfster Lola Shoneyin, de schoondochter van de eerste Afrikaanse Nobelprijswinaar van literatuur, de schrijver, dichter en essayist Wole Soyinka. Zijn oudste zoon is met Lola getrouwd. Al voor onze vertrek kwam ik in het vlietuig andere schrijvers tegen, zoals de Nigerianen Jude Dibia, Chris Abani, Frankie Edozien, en de Ethiopier Maaza Mengiste. Het was zo gezellig dat we het niet eens door hadden dat we drie uren op Heathrow stonden te wachten.

 

Toen het vliegtuig eindelijk mocht vliegen, was het echtpaar nog steeds aan het bidden. Ik besloot een gesprek met ze aan te knopen. De twee waren allebei pastors van een kerk in Lagos. Ze vroegen of ik wist wie Jezus was en of ik wist dat hij de mensheid kwam redden. ‘Ik ken zijn verhalen,’ antwoordde ik. Dat was een soort toestemming om mij te gaan bekeren. Ik heb geleerd om te luisteren, een les die ik leerde na de oorlog in mijn land van herkomst, Liberia. Door te luisteren naar anderen, naar hun verhalen, leer je meer over de wereld en dus over jezelf. Het echtpaar las me verzen uit de Bijbel voor; ze baden vurig voor me, hun stemmen trilden van passie; en ze hoopten dat ik na het festival langs hun kerk zou komen, zodat ik glorie van God van dichterbij kon aanschouwen.

De thema’s van het Aké festival waren juist onderwerpen die in zowel de Islam als in het  Christendom als taboe worden beschouwd: homosexualiteit, transgender, erotiek, Afrikaanse religies en andere achtergestelde minderheden. Een aantal van de schrijvers, zoals Jules Dibia, had homosexualiteit als hoofdthema van hun romans gekozen, een onderwerp dat in hun land van herkomst onbespreekbaar was, met daden die als verwerpelijk werden beschouwd. Om Maar niet te spreken over transgenders en hun aanwezigheid in dat land van gelovigen.

Na zeven uur vliegen kwamen we in Lagos aan, de stad van 20 miljoen inwoners. Terwijl we probeerden onze de weg naar buiten te vinden, viel de stroom uit. Veel collega’s konden door de uitval hun bagage niet vinden. De uren ging voorbij, waardoor onze boosheid om alles wat mis kon gaan in het land toenam. Tegen middernacht kwam de stroom weer tot leven. We gingen richting Abeokuta. Onderweg zagen we gebouwen die volgens Osundo onderwijsinstellingen waren van kerken. ‘Op deze tereinen vind je alles, van basisscholen tot universiteiten, allemaal toebehorend aan de kerk. Maar de meeste kerkgangers kunnen het  schoolgeld van die instellingen niet eens betalen. Zo duur zijn deze scholen.’

We logeerden in het 5 sterren hotel, Radisson Blue, van dezelde hotelketen als die in Mali waar terroristen gedurende die week zouden toeslaan. Het festival was in volle gang.
De jonge man die mij en Maaza Mengiste zou interviewen, Dami Ajayi, bleek een gevierde dichter te zijn.  Jong, belezen, een bon vivant avant la lettre. Wat ik niet wist, was dat hij ook een arts was en actief in de zorg. Hij was niet de enige de me verraste. Een andere dichter en schrijver bleek een bankier te zijn.

Ik bevond me te midden van multitalenten, van mensen die zoveel over literatuur wisten dat mijn hart bonkte van geluk. Ik voelde me thuis. Dus ik deed wat ik altijd thuis doe: me met hart en ziel op het festival storten. Ik genoot van het heerlijke eten, van de ebas en de egusi-sauzen, van de Nigeriaanse rijst, maar vooral van de gesprekken die urenlang duurden.

 

Het festival begon om 9 uur ’s ochtends en ging door tot 3 of 4 uur de volgende ochtend. En ik ontmoette Professor Niyi Osundare, een man die een voorbeeld was van hoe ik wilde worden. Het verhaal van zijn moeder was het verhaal van mijn moeder: een sterke geemancipeerde vrouw, wiens invloeden verreikten, ook na haar dood.

 

Ik woonde een toneelstuk bij, Hear Word genoemd, waarin alleen maar vrouwen speelden. Sommigen van de beste Nigeriaanse actricies, zoals Joke Silva, Omonor Somolu, Elvina Ibru, Bimbo Akintola en Taiwo Ajai-Lycett speelden daarin. Het ging over de rol van Afrikaanse vrouwen, die nog steeds achtergestelde woprden in macht en in hun verhouding met mannen, zowel in Afrika als elders in de wereld. Het werd zo voortreffelijk vertolkt, dat ik dacht, ‘Dit moet de wereld zien.

 

Over homo’s werd gediscusseerd met een enthousiasme alsof er een ware revolutie gaande was. Ze hebben en moeten een plaats hebben in de Afrikaanse samenleving, was de consensus. Ze behoren tot onze samenleving. Literatuur was het beste middel om de bevolking bewust te maken van de emancipatie van homo’s. Daarom schreven de schrijvers.

 

Er was ook de Angolese transgender, Imanni Da Silva, die tot doel heeft de aandacht van de wereld maar vooral Afrika te richten op transgenders. Ze is een bekende tv persoonlijkheid in Angola en ze ging in gesprek met andere schrijvers, onder leiding van de zoon van Soyinka, Olaokun, over de psycho-sexuele aarde van mensen wiens anatomie anders is dan hun gevoelens.

Dan was er de rol van religie. Een panel bestaande uit een Ife priesteres ging gesprek met een moslima en een christen over de toekomst van het geloof in Nigeria. Het viel mij op dat terwijl de pastor probeerde uit te leggen waarom Jezus zo belangrijk was voor de mensheid en de moslima over de vijf pilaren van de Islam sprak, de priesteres de eenvoud van haar manier van leven uitlegde. In haar manier van leven werd geen aandacht geschonken aan de geaardheid van een mens. Je kunt zijn wie je wilde.

 

Daarop stond professor Osundare op. Hij is van na de generatie van Achebe en Soyinka, maar is net zo beroemd en gerespecteerd in Nigeria en ver daar buiten. Hij zei in duidelijk taal: ‘Wonderbaarlijk, niet waar? Dat we in Afrika elkaar uitmoorden in naam van religies die niet eens van ons zijn. Waarom?’ De zaal barstte in applaus uit. ‘Waarom, als we een eigen manier van leven hebben?’

 

Dit was het moment van het festival, waar de Afrikanen geconfronteerd werden niet alleen met hun Afrikaanse zijn, maar met twee erfenisen die niet weg te denken zijn en die hun toekomst zouden blijven bepalen: Islam en Christendom. In een land waar pastors eigen prive jets bezitten en waar gekken rondlopen met gedachten dat alle boeken,  vooral de westerse, haram zijn, welke rol zou de Afrikaanse religies spelen?

Nigeria, de grootste economie van het continent,  bevindt zich op het kruispunt tussen het benutten van haar grote talenten of weg zinken in religeuze waanzin. De keuze die ze gaat maken zal de toekomst van heel Afrika bepalen.

  • Land van aankomst 2

    Land van aankomst 2
    Op het Asiel Zoekers Centrum (AZC) noemde iedereen hem de Tovenaar. Hij had het loopje van een showman. In ons extreem eentonige bestaan, waar alles opviel, waar op een dag een man, om zijn ongenoegen te laten blijken over het asielbeleid, glasscherven op at, pakte de Tovenaar het leven anders aan. Hij zorgde voor vermaak. Voor afleiding. ‘Jullie beschouwen het AZC als een gevangenis,’ zei hij regelmatig. ‘Maar jullie krijgen hier een gratis maaltijd. Hier slapen jullie in alle veiligheid, met als enige gevaar jullie eigen dromen. Wat willen jullie nog meer?’

    Eens in de zoveel tijd toverde hij als uit het niets jonge blanke dames die hem in de gangen van het AZC volgden alsof hij hun gids was. Dan verdween hij met ze, een dame per keer, in een kamer die hij deelde met twee anderen mannen, waaronder mijn beste vriend Sunday. ‘Die Tovenaar!’ zeiden we dan jaloers,  op zijn meisjes en zijn stoïcijnse houding tegenover het leven op het AZC. Hij vertelde ons zijn avonturen buiten de muren van het AZC, over zijn ervaringen in kroegen, waar vrouwen voor hem vielen, alsof hij een licht was in een donkere kamer vol insecten.
    Hij leek alles te weten over ons lot, over hoe de overheid zich aan het voorbereiden was om alle asielaanvragen te bemoeilijken, om de meeste asielzoekers de toegang te weigeren. ‘Vroeg of laat wordt er een muur om Europa heen gebouwd,’ zei hij dan. ‘Niemand, zelfs een muis niet, zou dan nog binnen kunnen komen. We zijn de laatste mensen en dan is de poort voorgoed dicht.’
    Wat hij verzuimde te bevestigen, waren de hardnekkige geruchten die de ronden deden binnen de donkere gangen van het AZC. Geruchten dat iedereen die nog in het systeem zat, waaronder mijn broer en ik, de toegang geweigerd zou worden. En dat was in 1993.

    Mijn broer en ik waren ondertussen bezig met de Nederlandse taal te leren. We kregen les van vrijwilligers, en twee dagen per week ging ik naar Eindhoven om Nederlands te leren op een ROC. Buiten die lessen kreeg ik ook les in anatomie en fysiologie van een Bosnisch-Servische arts. Ik was van plan om medicijnen te gaan studeren. Hiermee wilde ik de wereld veranderen, zoals een arts dat had gedaan in mijn geboortestad Kolahun in het noorden van mijn land van herkomst Liberia. Hij bouwde er het beste ziekenhuis van het land. Ik wilde zijn voorbeeld volgen.
    Maar soms, als alles moeilijk leek en de dromen even alleen maar dromen leken te zijn, dachten mijn broer en ik aan de illegaliteit. Als illegaal konden we geld verdienen door te werken op boerderijen, door tomaten of andere groentes te plukken. Met dat geld konden we onze familie onderhouden, familie die voor de burgeroorlog in ons land woedde gevlucht waren.
    Op een dag verscheen de Tovenaar in ons kamer. ‘Mag ik jou schoenen lenen, Vamba?’ Het waren nieuwe schoenen, net gekocht van het geld dat ik maandenlang had gespaard. Het waren dierbare schoenen. Maar ik verlangde naar de wereld van de Tovenaar, naar de mogelijkheden die die wereld mij kon bieden. Het feit dat ik dat leven niet zou leiden, bracht me ertoe om mijn schoenen aan hem toe te vertrouwen.
    Drie dagen later verscheen hij weer. Mijn schoenen waren onherkenbaar, versleten op de dansvloeren van verschillende discotheken in Brabant. ‘Ik koop nieuwe voor je,’ excuseerde hij zich. Van die belofte kwam niks terecht. Mijn broer, die dacht mij altijd te kunnen beschermen, gaf hem een klap. Mijn vriend Sunday en ik kwamen tussen beide.

    Enkele maanden later kwam ik Sunday tegen in de kantine. ‘De tovenaar heeft mijn geld weggetoverd,’zei hij. Het ging om een bedrag van 450 guldens. Een aanzienlijk bedrag voor een asielzoeker die 20 guldens per week als toeslag kreeg. De zoektocht naar de Tovenaar duurde de hele dag. We kwam hem tegen in Weert. Onder dwang van diverse Afrikanen die in de omgeving van Weert woonden en die geen asielzoekers waren, gaf de Tovenaar toe. ‘Maar ik heb het geld inmiddels uitgegeven,’ zei hij. Ze gaven hem een maand om alles terug te betalen. Voor het eind van de maand, verscheen de Tovenaar weer met een andere vrouw, een wat oudere vrouw die in een Mercedes reed. Op die dag kreeg Sunday zijn geld terug. Later hoorde ik van Sunday dat de Tovenaar verdwenen was.
    Jaren later, toen ik op mijn fiets bij het verkeerslicht stond, op weg naar Tilburg, waar ik rechten studeerde, zag ik iemand op een brommer naast mij staan: De Tovenaar ‘Ze hebben me meerdere malen het land uitgezet. En iedere keer ben ik terugkomen. Ik kom terug om te halen wat van ons gestolen is. De hele economie van dit land is afhankelijk geweest en is nog steeds afhankelijk van de Afrikaanse grondstoffen. Ik kom mijn aandeel terughalen . Op welke manier dan ook.’ Toen racete hij weer weg.

    Vamba Sherif

  • Land van aankomst 1

    Land van aankomst 1
    Op een koude winterse dag stapten twee jonge Afrikanen uit een taxi die ze van Weert  naar de AZC in Brabants Budel had gebracht. Dat was ergens in 1993. Vol onzekerheid wat de toekomst betreft, een onzekerheid die bijna verlammend was, begaven ze zich richting het enorme gebouw dat ooit als kazerne diende. Die twee jonge mannen waren mijn broer en ik.

    We waren vluchtelingen, niet uit Liberia, ons land van herkomst, waar op dat moment een bloedige oorlog woedde, maar uit Koeweit, weg van de terror van Saddam Hussain die het land had bezet, verweg van de nasleep van die bezetting. We waren niet meer welkom in Koeweit, noch in Syrie, waar we tijdelijk waren verbleven. We hoopten dat Nederland ons hoop en toevluchtsoord zou bieden.

    Nadat we wat papieren hadden getekend, werd ons een kamer gewezen. We zouden die met twee anderen delen, twee mannen uit Senegal. De oudste was een in zichzelf gekeerde man van in de viertig. Hij praatte zelden, en had de gewoonte om zijn bier te brouwen ergens in de hoek van de kamer, naast zijn bed. De stank was ondraaglijk. Hij dronk dit bier met het enthousiasme van een alcoholist, zijn grote ogen schitterenden dan van het kortstondige geluk. Ondertussen bombardeerden zijn landgenoot ons met citaten uit een boek geschreven door een Senegalese wetenschapper: Cheik Anta Diop. ‘De oude Egyptenaren waren zwart,’ vertelde hij ons. ‘De faraos waren zwart. Kijk naar de sfixns, die is ook zwart. Afrika is de bakermat van de beschaving, niet Griekenland zoals dat vaak beweerd wordt.’ Hij ging maar door.

    Mijn broer en ik wisten verder maar weinig van hun leven in Senegal of van hun vluchtverhaal. Dat leek de afspraak te zijn tussen alle asielzoekers, dat de ware toedracht van onze aanwezigheid in Nederland voor elkaar geheim zou blijven. Iedereen volgde het dagelijks ritme van het AZC: ontbijten, dan voor de televisie zitten, sporten, met elkaar praten over hoe het was in het land van herkomst, dan werd er weer gegeten en dan televisie gekeken. Alles wat onze toekomst betrof waren geruchten, bijvoorbeeld toen we te horen kregen dat Nederland vol was en dat we tijdelijk op het AZC zouden verblijven om vervolgens terug te worden gestuurd naar onze landen. Niemand kon dit gerucht bevestigen of ontkennen, maar het was zeer hardnekkig. Het bleef bijten in onze onzekerheid. Mijn broer en ik zagen snel in dat om te overleven we de eentonigeheid van ons bestaan moesten doorbreken. We moesten iets doen. Maar wat?

    Vamba Sherif 18 oktober 2013

  • De liefde

    De Liefde

    Het asielzoekerscentrum was de plek bij uitstek om liefde te vinden. Of in ieder geval om te proberen iemand te versieren. De dagelijks routine van kaarten laten stempelen bij de politie, televisie kijken en wachten op een antwoord van overheidsinstanties met ingewikkelde namen in steden ver bij Budel-Dorplein vandaan, maakte dat we troost zochten bij elkaar. Maar het liefst zochten we troost bij iemand van buiten het azc, iemand die ons kon verlossen van ons eentonige bestaan. Mannen zoals Magic die vaak van vrouw wisselden waren een geval apart, een zeldzaamheid. Maar weinigen konden aan zijn stijl en methodes tippen. Daarvoor waren we te onzeker, te onervaren.

    Ik herinner me dat veel van de jongens met wie ik in die tijd omging, Nigerianen, Ghanezen en Ethiopiërs, verliefd waren op dezelfde vrouw. Ze zat bij de politie. Ze was niet aan de dunne kant, met een breed gezicht en nogal warrig bruin haar, althans nu in mijn herinnering. In haar politie-uniform, met een lachje op haar gezicht, leek ze op een prooi die in de kooi van ons bestaan was gegooid. We wilden dat zij onze onzekerheid zou omtoveren in zekerheid. Dat zij onze toverformule zou zijn. Dat één van ons met haar zou gaan samenwonen of trouwen en op die manier een verblijfsvergunning zou krijgen. Dat bood zekerheid. Er hoefde maar een kier in de muur van Fort Europa te zitten of we snelden er als ratten doorheen. Bovendien hebben asielzoekers houvast nodig – nee, alle immigranten hebben houvast nodig. We zoeken het overal, als goed getrainde sporters die hun doel najagen, vastberaden, gefocust en soms op het fanatieke af. Dat komt waarschijnlijk omdat het leven in een andere cultuur soms alles op een droom doet lijken. De werkelijkheid ligt elders, in het land van herkomst. We weten ook dat in het land van aankomst de rollen vaak worden omgedraaid: mannen worden gedwongen de rol van vrouwen aan te nemen, ze worden als het ware gecastreerd; en vrouwen hebben het dan voor het zeggen. Dochters en zonen, die ooit de belichaming van onze hoop en idealen vormden, beginnen wartaal te spreken. Een houvast is hoognodig. We vinden het in religie: we kleden ons in het zwart en laten onze baarden groeien tot een lengte waarvan onze ouders in het land van herkomst zouden schrikken. We vinden het in nostalgie, we klampen ons vast aan alles wat het land van herkomst symboliseert. Sommigen vinden het in vrouwen. In het azc Budel in die periode van mijn leven, dachten we het te hebben gevonden in de politievrouw.

    Ik herinner me de Ghanese Nimanku die mij had leren fietsen. Een lange, slanke man met een ernstige uitdrukking op zijn gezicht, een man van weinig woorden. Hij wilde bij de politievrouw een poging wagen. Hij ging anders naar haar kijken dan wij deden. De politievrouw was niet langer die onbereikbare, maar een studieproject geworden – iets wat van alle kanten geanalyseerd kon worden. Soms zag ik Nimanku glimlachen alsof hij haar wezen had doorgrond. ‘Hij gaat haar krijgen,’ zei ik een keer tegen mijn broer. Het kon hem niet schelen. ‘Denk aan je leven hier in plaats van aan vrouwen,’ snauwde hij. ‘Ze kunnen ons ieder moment terugsturen naar Liberia, waar we de oorlog zeker niet zouden overleven. Heb je daar ooit bij stilgestaan? Jij, in Liberia, tussen al die oorlogszuchtige mensen? Dat overleef je niet. Dus vrouwen? Je moet pas aan vrouwen denken als je tenminste de helft van je dromen hebt verwezenlijkt, anders kom je nooit ergens in de wereld. Vrouwen willen zekerheid, geen man die met zijn kop in het zand zit. Maar op dit azc zitten we allemaal, ook jij en die Ghanees, met onze kop in het zand. Vergeet vrouwen. Vergeet liefde en romantiek, denk alleen aan uitzetting, aan oorlog, aan wat je hebt achtergelaten. Geen woord meer over vrouwen. En zeker niet over díe vrouw...’

    Mijn Ghanese vriend bleef de politievrouw bestuderen. ‘Ik heb met haar gesproken,’ vertelde hij op een dag. We fietsten richting Weert. Het was een zonnige dag, en heel even leek alles mogelijk. ‘Waar hebben jullie het over gehad?’ vroeg ik. ‘Ik heb haar gevraagd of ze me haar huis wilde laten zien. Omdat ik nog nooit in een Nederlands huis ben geweest.’ Mijn hart maakte een sprongetje. ‘Wat zei ze?’ vroeg ik. Mijn vriend lachte. ‘Ze stemde in. Volgende week ga ik met haar mee naar Weert.’

    Maar de afspraak ging niet door. In plaats daarvan hoorden we dat wij, mijn Ghanese vriend, mijn broer en ik, een huis toegewezen hadden gekregen in Veldhoven. Over de politievrouw werd niet meer gesproken. Een jaar later kregen we plotseling bezoek van een vijftal politiemannen die mijn Ghanese vriend in de boeien sloegen, en zonder nog een woord met ons te kunnen wisselen werd hij teruggestuurd naar Ghana.

    Jaren later, toen ik geen asielzoeker meer was maar een schrijver die zijn houvast had gevonden in de kracht van woorden, ging op een avond de bel. Ik deed de deur open en daar stond mijn Ghanese vriend. ‘Nimanku,’ zei ik en ik sloeg mijn armen om hem heen. Hij vertelde zijn verhaal. ‘Mijn asielaanvraag was ongegrond verklaard en ik moest terug naar Ghana,’ zei hij. ‘Ondertussen had ik een relatie gehad met de politievrouw. Ze was zwanger geworden, zonder het mij te vertellen. Ik wist van niets. Pas in Ghana hoorde ik dat ik een dochter had gekregen. Sindsdien heb ik alles in het werk gesteld om bij haar te kunnen zijn. Eerst ging ik naar Italië, waar ik werk vond op een boerderij in de buurt van Brescia. Elke maand maakte ik geld over voor mijn dochter. Nu ben ik eindelijk met haar herenigd.’ Ook hij had zijn houvast gevonden.

  • Nigera - Land van Gelovigen

    Nigeria- Land van Gelovigen - column Vamba Sherif, februari 2016

    Het echtpaar dat links van mij zat, was aan het bidden. Ik dacht dat dit bij het ochtendritueel hoorde, maar ik vergiste me. Ik bevond me op Heathrow in een vliegtuig met bestemming Lagos, Nigeria. Het gebed ging door, in de zachte, mompelende maar onophoudelijke stemmen van het echtpaar. De twee moesten in de vijftig zijn, dacht ik, maar later zou het blijken dat ze in de zeventig waren. De jaren waren hen gunstig gestemd geweest. Ze bleven bidden gedurende het eerste, tweede en derde uur van het afwachten totdat we toestemming konden krijgen om te gaan vliegen. Het was de week na de aanslag in Parijs. ‘Je gaat naar een  land waar religie miljoenen levens bepaalt, waar pastors een soort iconen of heiligen zijn. Alles wat in het leven van een doorsnee Nigeriaan gebeurt, ik bedoel alles, wordt bepaald door zijn of haar pastor,’ zei mijn collega schrijver E. C. Osundu die naar zijn land van afkomst terugkeerde.

    Het vliegtuig was vol. We gingen naar het jaarlijkse literaire Aké literaire festival in Abeokuta.  Het festival werd opgericht door de schrijfster Lola Shoneyin, de schoondochter van de eerste Afrikaanse Nobelprijswinaar van literatuur, de schrijver, dichter en essayist Wole Soyinka. Zijn oudste zoon is met Lola getrouwd. Al voor onze vertrek kwam ik in het vlietuig andere schrijvers tegen, zoals de Nigerianen Jude Dibia, Chris Abani, Frankie Edozien, en de Ethiopier Maaza Mengiste. Het was zo gezellig dat we het niet eens door hadden dat we drie uren op Heathrow stonden te wachten.

    Toen het vliegtuig eindelijk mocht vliegen, was het echtpaar nog steeds aan het bidden. Ik besloot een gesprek met ze aan te knopen. De twee waren allebei pastors van een kerk in Lagos. Ze vroegen of ik wist wie Jezus was en of ik wist dat hij de mensheid kwam redden. ‘Ik ken zijn verhalen,’ antwoordde ik. Dat was een soort toestemming om mij te gaan bekeren. Ik heb geleerd om te luisteren, een les die ik leerde na de oorlog in mijn land van herkomst, Liberia. Door te luisteren naar anderen, naar hun verhalen, leer je meer over de wereld en dus over jezelf. Het echtpaar las me verzen uit de Bijbel voor; ze baden vurig voor me, hun stemmen trilden van passie; en ze hoopten dat ik na het festival langs hun kerk zou komen, zodat ik glorie van God van dichterbij kon aanschouwen.

    De thema’s van het Aké festival waren juist onderwerpen die in zowel de Islam als in het  Christendom als taboe worden beschouwd: homosexualiteit, transgender, erotiek, Afrikaanse religies en andere achtergestelde minderheden. Een aantal van de schrijvers, zoals Jules Dibia, had homosexualiteit als hoofdthema van hun romans gekozen, een onderwerp dat in hun land van herkomst onbespreekbaar was, met daden die als verwerpelijk werden beschouwd. Om Maar niet te spreken over transgenders en hun aanwezigheid in dat land van gelovigen.

    Na zeven uur vliegen kwamen we in Lagos aan, de stad van 20 miljoen inwoners. Terwijl we probeerden onze de weg naar buiten te vinden, viel de stroom uit. Veel collega’s konden door de uitval hun bagage niet vinden. De uren ging voorbij, waardoor onze boosheid om alles wat mis kon gaan in het land toenam. Tegen middernacht kwam de stroom weer tot leven. We gingen richting Abeokuta. Onderweg zagen we gebouwen die volgens Osundo onderwijsinstellingen waren van kerken. ‘Op deze tereinen vind je alles, van basisscholen tot universiteiten, allemaal toebehorend aan de kerk. Maar de meeste kerkgangers kunnen het  schoolgeld van die instellingen niet eens betalen. Zo duur zijn deze scholen.’

    We logeerden in het 5 sterren hotel, Radisson Blue, van dezelde hotelketen als die in Mali waar terroristen gedurende die week zouden toeslaan. Het festival was in volle gang.
    De jonge man die me en Maaza Mengiste zou interviewen, Dami Ajayi, bleek een gevierde dichter te zijn.  Jong, belezen, een bon vivant avant la lettre. Wat ik niet wist, was dat hij ook een arts was en actief in de zorg. Hij was niet de enige de me verrasste. Een andere dichter en schrijver bleek een bankier te zijn. Ik bevond me te midden van multitalenten, van mensen die zoveel over literatuur wisten dat mijn hart bonkte van geluk. Ik voelde me thuis. Dus ik deed wat ik altijd thuis doe: me met hart en ziel op het festival storten. Ik genoot van het heerlijke eten, van de ebas en de egusi-sauzen, van de Nigeriaanse rijst, maar vooral van de gesprekken die urenlang duurden.

    Het festival begon om 9 uur ’s ochtends en ging door tot 3 of 4 uur de volgende ochtend. En ik ontmoette Professor Niyi Osundare, een man die een voorbeeld was van hoe ik wilde worden. Het verhaal van zijn moeder was het verhaal van mijn moeder: een sterke geemancipeerde vrouw, wiens invloeden ver reikten, ook na haar dood.

    Ik woonde een toneelstuk bij, Hear Word genoemd, waarin alleen maar vrouwen speelden. Sommigen van de beste Nigeriaanse actricies, zoals Joke Silva, Omonor Somolu, Elvina Ibru, Bimbo Akintola en Taiwo Ajai-Lycett speelden daarin. Het ging over de rol van Afrikaanse vrouwen, die nog steeds achtergestelde woprden in macht en in hun verhouding met mannen, zowel in Afrika als elders in de wereld. Het werd zo voortreffelijk vertolkt, dat ik dacht, ‘Dit moet de wereld zien. Over homo’s werd gediscusseerd met een enthousiasme alsof er een ware revolutie gaande was. Ze hebben en moeten een plaats hebben in de Afrikaanse samenleving, was de consensus. Ze behoren tot onze samenleving. Literatuur was het beste middel om de bevolking bewust te maken van de emancipatie van homo’s. Daarom schreven de schrijvers. Er was ook de Angolese transgender, Imanni Da Silva, die tot doel heeft de aandacht van de wereld maar vooral Afrika te richten op transgenders. Ze is een bekende tv persoonlijkheid in Angola en ze ging in gesprek met andere schrijvers, onder leiding van de zoon van Soyinka, Olaokun, over de psycho-sexuele aarde van mensen wiens anatomie anders is dan hun gevoelens.

    Dan was er de rol van religie. Een panel bestaande uit een Ife priesteres ging gesprek met een moslima en een christen over de toekomst van het geloof in Nigeria. Het viel mij op dat terwijl de pastor probeerde uit te leggen waarom Jezus zo belangrijk was voor de mensheid en de moslima over de vijf pilaren van de Islam sprak, de priesteres de eenvoud van haar manier van leven uitlegde. In haar manier van leven werd geen aandacht geschonken aan de geaardheid van een mens. Je kunt zijn wie je wilde.

    Daarop stond professor Osundare op. Hij is van na de generatie van Achebe en Soyinka, maar is net zo beroemd en gerespecteerd in Nigeria en ver daar buiten. Hij zei in duidelijk taal: ‘Wonderbaarlijk, niet waar? Dat we in Afrika elkaar uitmoorden in naam van religies die niet eens van ons zijn. Waarom?’ De zaal barstte in applaus uit. ‘Waarom, als we een eigen manier van leven hebben?’ Dit was het moment van het festival, waar de Afrikanen geconfronteerd werden niet alleen met hun Afrikaanse zijn, maar met twee erfenisen die niet weg te denken zijn en die hun toekomst zouden blijven bepalen: Islam en Christendom. In een land waar pastors eigen prive jets bezitten en waar gekken rondlopen met gedachten dat alle boeken,  vooral de westerse, haram zijn, welke rol zou de Afrikaanse religies spelen?

    Nigeria, de grootste economie van het continent,  bevindt zich op het kruispunt tussen het benutten van haar grote talenten of weg zinken in religeuze waanzin. De keuze die ze gaat maken zal de toekomst van heel Afrika bepalen.

Deel dit met anderen