Gespierde taal

Yasin moet voor zijn definitieve inburgering met name nog oefenen op spreek- en luistervaardigheid. Taal is niet alleen grammatica en woordbetekenis, maar taal moet ook uit je mond kunnen komen en je oor in, verstaanbaar. Dat is best lastig, want de taal van mensen in gesprek is vaak ‘half’.

Zinnen worden niet afgemaakt, halverwege opnieuw begonnen en dan een totaal andere kant uit, en zitten soms vol met betekenisloze tussenzinnetjes. Zo begint een vriend van mij elke derde zin die hij uitspreekt met “weet je wat het is?”. En hoe vaak ik ook zeg ‘Nee Bart, dat weet ik niet, wat is het?” en hem daarbij oprecht dom aankijk, gaat hij er maar mee door…

Maar voordat je je daaraan kunt ergeren, moet de taal eerst de mond verlaten. Oftewel: dui-de-lijk spre-ken. Ik kijk na 40 jaar nog steeds dankbaar terug op meneer Marsman, oud leraar Frans, die ons, 12-jarige brugklassers, twee lessen lang alleen maar het woord garçon heeft laten zeggen. Net zo lang tot die eerste g van garçon er goed uitkwam (enne, die g is dus geen g, maar dat voelde u al aan).

Met de gedachte aan meneer Marsman zit ik soms als een amateur logopedist samen met Yasin op de bank. Onze band is inmiddels zodanig dat ik hem redelijk directe feedback op zijn uitspraak kan geven. Hij vertelde over zijn contact met de boeren. Hoe vriendelijk sommigen waren en weer anderen juist afwerend. Ik was in verwarring. Contact met de boeren? Was ie op zijn fietsje langs alle landerijen van Overasselt gegaan? “De boeren Yasin?”.  “Ja, hiernaast”.

De boeren.

De buren.

Ik schiet in de lach. Die van de huursubsidie kende ik al, maar deze zag ik niet aankomen… “Ah, de buuuuuuuuren!” zeg ik overdreven. Yasin lacht. En dan begin ik met gespierde taal. “UUUUU”, “OEEEEEE”, “U”, “OE”. Ik merk dat ik andere spieren aanspan bij de u dan bij de oe. Bij de u gaat mijn onderkaak iets naar voren, bij de oe maak ik een mooi rondje met mond. Ik buig iets naar voren, zodat Yasin mijn mond beter kan zien, en ook mijn onderkaak die bij de u naar voren gaat. En ik ga door: “UUUU OEEEE UUU OEEE”. Ik zeg: “nou jij, de u van de buren”. Yasin: “OEEEE, OEEEE”. Ik lach, hij ook. Ik lag mijn hand op mijn onderkaak en duw hem iets naar voren. UUUUUU. “Nou jij weer!” En daar is ie. Yasins “UUUUUUU”. “Yes!” roep ik.
En we lachen, want of je nou uit Syrië komt of uit Nijmegen: twee mannen die heel hard “UUUU” roepen in een woonkamer met de handen op hun onderkaak is waarschijnlijk wereldwijd lachwekkend.

Maar daar blijft het niet bij. Ik ga op de pijnbank. “Goedendag” in het Arabisch. Margraaban, of zoiets, want wij hebben niet eens letters voor klanken die er bij Yasin nu uitkomen. Ik leg mijn hand boven mijn adamsappel: Magggggggabal, en probeer mijn g zo hard mogelijk te maken. Yasin wijst naar omlaag, die klank moet van dieper komen, nog verder achter in mijn keel. En na 10 keer (wanneer ik doorheb welke spieren ik diep in mijn keel moet aanspannen en die ik volgens mij alleen gebruik als er iets is blijven zitten in mijn luchtpijp) kan ik het ook….

Taalspieren. Weer heb ik wat geleerd over mijn eigen taal. En over de zijne.

vrijdag 3 mei 2019