Jammer van het visje

Yasin hikt nog aan tegen het spreken en begrijpen van gesproken taal en ik heb besloten hem niet te sparen. Ik ben afgestapt van mijn Jip-en-janneke taal. Ik spreek nog wel dui-de-lijk, maar maak ook lange zinnen. Hiermee wil ik hem het uiterste uit zichzelf laten halen. Hij gaat erdoor vooruit, maar het zorgt bij hem ook voor frustratie.

Daarnaast stimuleer ik hem zoveel mogelijk met andere Nederlanders te praten. Hij vindt dat lastig, want hij schaamt zich ook een beetje als hij een fout maakt. Hork als ik ben, lach ik echter soms ook om zijn fouten. Niet zozeer om hem, maar omdat zijn fouten mij duidelijk maken hoe complex het Nederlands is. Vaak zijn zijn fouten ingegeven door het consequent doorvoeren van een taalregel en daar moet je mee oppassen bij een taal die meer uitzonderingen dan regels lijkt te kennen.

Ik bewonder zijn moed, want ondanks zijn huiver voor fouten zoekt hij het contact met Nederlanders wel op. Onlangs was hij naar de speeltuin geweest met zijn kinderen en in gesprek gegaan met een oma die daar was met haar kleinkind. Uiteraard waren het de koetjes en kalfjes die het gesprek bepaalden, maar oma moest ook haar verhaal kwijt, zo bleek. Oma had Yasin verteld over haar zoon die was overleden. Hij was midden 30.
Oei.

Zit ik Yasin te prikkelen om te gaan keuvelen met Nederlanders, krijg je dit. Hoe had hij zich daaruit gered? Hoe ben je empathisch bij zo’n verhaal? Het vraagt nogal wat van je, zowel als mens, als van je taalvaardigheid. ‘Wat vind jij ervan als je dat hoort, als iemand die je niet zo goed kent, zoiets zegt?’ vroeg ik hem. ‘Ja’ zei Yasin, ‘dat is wel jammer als je zoon dood is’.
Jammer.

Ik hoop maar dat hij dat woord niet heeft gebruikt, en dat oma heeft gevoeld dat Yasin een warme man is, die de nuances in onze taal nog niet onder de knie heeft. Toen ik hem het verschil tussen jammer en heel erg, of verdrietig, naar, of verschrikkelijk uitlegde, begreep hij het. En ik begreep opeens een beetje beter waarom Yasin ook soms wat angst heeft om met andere Nederlanders te praten.

Ook aan de positieve kanten van het leven zitten nuances waar Yasin mee te maken heeft. De buren hebben een kind gekregen. Mooi nieuws en ik vroeg hem hoe je dat viert in Syrië. Wat zijn de ‘beschuit met muisjes’ van Damascus? Ik wilde het graag weten. ‘Nou’, zei Yasin, ‘dan geef je een visje’. Een visje? Als je in Syrië een kind krijgt komt iedereen langs met een meerval of een makreel? Mijn nieuwsgierigheid nam toe. ‘Ja, een visje’ herhaalde Yasin. ‘Waarom? Hoe dan, leg ’s uit!’. Ik hing aan zijn lippen, visioenen van huiskamers vol baby’s aan de ene kant en bakken vol met kabeljauw in de keuken bouwden zich op in mijn hoofd. ‘Ja’, zei Yasin, ‘gewoon met veel mensen een visje met snoep.’
Nuances. Daar ging het om. Weet u het nog?

Wilt u nu het woord visje, en daarna het woord feestje eens hardop uitspreken? En dan eventjes naar uzelf luisteren? Hoort u de subtiele nuance in de klinkers in deze twee woorden? En de t in feestje, waar is die gebleven als we het woord hardop zeggen? Spreek ze maar uit, die twee woorden, heel vaak achter elkaar en luister naar uzelf. Ik heb het gedaan, tientallen keren. En bij elke keer dat ik het deed nam mijn bewondering voor Yasin en alle vluchtelingen die het volhouden om onze taal te leren toe.

Bij deze heb ik een voorstel om elke vluchteling, die het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd een mooie zalm cadeau te doen.
U bent het niet met me eens?
Jammer.
Ik vind het in ieder geval wel een visje waard.
Of zullen we ze een mooi vestje cadeau doen?
Pffffff…

maandag 21 oktober 2019